18 november 2010

Genoeg

Zondagmiddag liep Jort samen met mij de trap van zijn appartement af, naar de auto, even naar het ziekenhuis. Tasje mee, voor de zekerheid. Maar het AZU wordt zijn laatste halte, terug naar huis komt hij niet meer. Een afgebladderd blauw bordje bij de deur van zijn kamer, op Oncologie, vermeldt inmiddels zijn naam. B2, kamer 35, in de grote ziekenfabriek. Nog maar een paar dagen zal die naam daar naast de deur staan. Zijn verzoek om actieve euthenasie is ingewilligd. Jort kan niet meer, hij wil rust.
Iedere dag gaat het zichtbaar slechter met hem. Door de verstopping, die niet te bestrijden is zonder operatie, liggen zijn ingewanden stil. Hij kan niets eten of drinken en krijgt alleen vocht via een infuus, plus wat morfine om de pijn van binnen te verzachten. Af en toe mag hij een waterijsje, voor een wat betere smaak in zijn mond. Het opeten kan niet, hoe graag hij dat ook zou willen.
Op woensdag is hij nog redelijk goed, al wordt praten uiteindelijk erg vermoeiend. Maar hij heeft nog energie voor een grijns op zijn gezicht, die mooie grijns die al die jaren bij hem hoorde. Halverwege geven we hem een halfuurtje alleen met zijn ouders. Beneden in het restaurant van de ziekenfabriek praten we ondertussen met Sjoukje over praktische zaken. De uitvaart, de rouwkaart, de advertentie. Onwerkelijke dingen, waar ik eigenlijk helemaal niet over praten wil. Maar het moet.

Vandaag gaat het snel bergafwaarts. Na alweer een slechte nacht ligt Jort aan de zuurstof. De afspraak voor bezoek overdag wordt geschrapt. Droevig nieuws voor Amber en Rebecca, want die hadden graag nog even afscheid van oom Jort genomen. Maar het is beter zo, ze vinden het al moeilijk genoeg.
Ik werk alles af voor mijn werk, tientallen e-mails met een vaste regel aan het eind; dat ik er de komende dagen niet zal zijn. De drukste week van het jaar komt er aan, jammer dan. Andere dingen gaan voor.
Aan het eind van de middag haal ik broer Frank op bij CS in Utrecht, rechtstreeks uit de Thalys. We stappen in de auto en rijden naar het ziekenhuis. Snel beent Frank door de lange gangen, op naar zijn jongste broer. We schrikken bij binnenkomst. Die magere, machteloze man in dat bed is amper nog mijn prachtige broertje. Uit zijn neus komen slangetjes voor de zuurstof. Overeind komen kan hij niet meer. Maar hij is zichtbaar blij dat Frank er eindelijk is, op tijd. Mijn oudste broer zit naast mijn jongste en ze houden elkaars hand vast. Minutenlang zeggen ze niets, maar de tranen staan in hun ogen. Een paar minuten maar. We zeggen alleen het hoognodige. Dat we van Jort houden en hem zullen missen. Dat we elkaar ooit weer zien, boven. Dan is het genoeg, Jort is te moe. Een kus op zijn voorhoofd en nog even zijn hand. Hij steekt zijn duim op als we naar buiten lopen. Op de gang komen alle tranen los.

1 opmerking: